Pagina's

dinsdag 14 december 2010

van Kunstenaars en pooiers

Zonder titel - Kitty Luhulima

Opeens worden ze ontdekt, Grootse Kunstenaars zoals Kitty Luhulima en Karim Lessy. Hun 'ontdekker' heet Derek Leatemia die met zijn Rotterdamse organisatie BTHECITY zoveel mogelijk van hun artistieke glans op zichzelf probeert te laten afstralen. Derek Leatemia – onthoudt u die naam – noemt zichzelf 'ex-Kunstenaar', hetgeen natuurlijk vragen oproept, want is men Kunstenaar dan is men in die hoedanigheid geboren. Hier is geen sprake van een winterjas die men na emigratie naar warmere oorden zomaar kan afdanken. Derek Leatemia is selectief in zijn ontdek-drift. Hij kiest Kunstenaars uit die met hem de Molukse achtergrond delen. Die Kunstenaars hebben Baas Derek helemaal niet nodig want het is op grond van hun kwaliteiten dat ze hun weg wel zullen vinden naar het Amsterdams Stedelijk Museum, naar Boymans van Beuningen, naar Kröller Müller en – als we toch op reis gaan – naar het Madrileense Prado en naar het MOMA in New York. Maar Molukkers zijn ongeneeslijk sentimenteel en ze gunnen het Baasje Leatemia wel dat hij mag pronken met hun veren– hij is hun landgenoot tenslotte en komt zijn familie niet van hetzelfde eiland als die van hen zelf? Maar hoe gaat dat met kleine pooiers als Chef Dé-El? Men raadt het al … wie zich door deze handelaar in tweedehands condooms argeloos laat begeleiden naar winderige afwerkplekken, die zal nooit beschikken over een Eigen Goed Geoutilleerd en Druk Beklant Stijlvol Bordeel. Derek Leatemia – onthoudt u die naam, belt u vooral de Zedenpolitie als die naam in het schermpje van uw gsm hinderlijk oplicht – is het prototype van de Molukse Opportunist onder wiens verzuurde adem de meest Prachtige Schilderwerken verschrompelen tot knullige tekeningen, vervaardigd door uit-getherapeutiseerde tbs-klanten. Kitty Luhulima en Karim Lessy zijn niet bereid om zich door Oplichtertje Leatemia als kwartjeshoer te laten behandelen en zij hebben op eigen kracht een expositie geregeld in het Elburgse Zwaluwenburg. Maar hoe gaat dat dan met een volleerde loverboy als voornoemde Kunst-parasiet? Men raadt het al … dat likt zich een weg naar de organisatoren van de expositie en dat presenteert zich als … ja, als wat eigenlijk? Hoogstwaarschijnlijk als Universele Huilebalk die de Galeriehouders daar in Elburg op de mouw speldt dat 'de' Molukkers zich nog altijd 'gekoloniseerd' voelen en dat dat 'reuze zielig' is en dat, en dat … En zo'n galeriehouder, behept met gereformeerde chromosomen daar in Elburg, die is het eens met de pseudo kunstzinnige uitvreter. Niet alleen de Luhulima's en Lessy komen volgend jaar aan bod, ook Kunstenaars van Molukse afkomst die nog niet helemaal begrepen hebben dat het dankzij hen is dat het Parmantige Mannetje in Hoge Kringen onbeschaamd zijn deerniswekkende erectie mag vertonen … Zoals de akkers boeren nodig hebben en geen landeigenaren, zo gedijt  Het Internationale Culturele Erfgoed onder de artistieke magie van de Luhulima's en de Lessy's, maar kwijnt datzelfde Erfgoed weg onder de dievenhanden van de Leatemia's.
O ja … Derek Leatemia liet zich onlangs in Capelle aan den IJssel zomaar filmen op een feest ter gelegenheid van eh, van eh ... “Waarom zouden we die verlopen kop van jou nou moeten verfilmen?” werd er op diplomatiek toon gevraagd. “Omdat ik iets heel moois ga voordragen,” sprak de man die wij allemaal kennen van 'Opsporing Verzocht' (“Eh ja, ik presenteer dat programma”, verklaarde Leatemia na enig doorvragen van de kant van de wijkagent). Mooi was het inderdaad en Leatemia werd na zijn gedenkwaardige optreden vanuit de zaal besprongen door alles wat Blond, Zwaarborstig en Langbenig was – de ('ex'- ) Kunstenaar mag tenslotte graag bevrediging halen uit zijn Werck – , waarop hij besloot om maar niet te zeggen dat hij had voorgedragen uit 'De kou en het vuur' van niemand minder dan Frans Lopulalan.

dinsdag 7 december 2010

Identi - wat ... ?


Filmmaker John Albert Jansen ergert zich ... 

“Ondertussen erger ik me al jaren aan die nadruk op kleur en etniciteit en religie, die steeds meer in het debat is geslopen, waardoor jongeren zich minder en minder op de wereld en steeds meer op de eigen groep richten.” Die woorden schreef filmmaker John Albert Jansen mij toen wij van gedachten wisselden over de Cineblendavond waar indrukwekkende dingen gezegd zouden worden over 'de Molukse identiteit'. Gelukkig herhaalde John Albert Jansen deze woorden voor de microfoon toen op die avond het plichtmatige gezanik maar voortduurde … Er werd ongeveer gezegd dat identiteit uitsluitend, doch als het een beetje mee zit slechts voornamelijk te baseren is op etniciteit … de kolonisator 'in ons' deed nog steeds Heel Erg Lelijke Dingen met ons … wat voor Heel Erg Lelijke Dingen dat waren, dat werd er gelukkig niet bij verteld want men bedacht waarschijnlijk bijtijds dat het koesteren van de slachtofferrol welbeschouwd toch een beetje pervers is … maar het werd toch maar even gezegd en men wil op zo'n avond ook wel eens haar/zijn eigen parmantig uitgedragen mening voor het voetlicht brengen … Waar ik heel erg plezier in had was mijn opmerking dat ik mij ook wel eens met Gerard Reve identificeerde en ook met Rob Rensenbrink, hoewel ik in die WK-finale van 1978 dat doelpunt uiteraard wel gemaakt zou hebben. Had men mij langer het woord gegund, dan had ik kunnen opmerken dat ik mij ook identificeerde met die blij lachende man op rij zeven, stoel 5 die in het gezelschap verkeerde van een wel Zeer Appetijtelijke Dame (stoel 4) … Maar gelachen werd er niet want Molukkers en humor, dat gaat niet altijd goed samen. Molukkers willen klein gehouden worden en daarmee moet ik warempel die vrouw met dat gortdroge verhaal over de kolonisator wel degelijk gelijk geven want Molukkers … maar ja, daar ging het de hele avond (niet) over … Wat zijn dat eigenlijk, Molukkers?

donderdag 18 november 2010

Geen spoor van mijn vader


In Porto op Saparua trof ik geen enkel spoor van mijn vader aan. Niets van zijn voetstappen, niet eens een echo van zijn stem. Al herinner ik mij die stem maar al te goed als mannen op straat, op dat hoge volume en met dat ruige accent van Porto, wild spelende kinderen bulderend tot de orde roepen. Het huis van mijn grootvader staat er niet eens meer. Wat daar ligt is een open plek, door onkruid overwoekerd en op sommige plekken omwoeld door de varkens die vrij in het dorp rondlopen. Zelfs een herinnering aan het huis kan ik niet met mijn vader delen. Wel heb ik foto's gemaakt vanaf de weg die voor het braak liggende erf loopt, maar waarschijnlijk is ook de omgeving rond het huis veranderd sinds mijn vader daar – ergens in de jaren veertig van de vorige eeuw – voor het laatst geweest is.
“Tja, Pa … dit is het dan.” Dat is het enige wat ik bedenken kan als ik de weg naar beneden volg en op het kruispunt besluit rechtsaf te gaan. Niet dat steile gedeelte rechtdoor weer omhoog naar Bogor, waar nicht Suzanna met haar zoon Petrus woont … de weg naar rechts volgend kom ik uiteindelijk uit bij de kleine marktplaats van Porto waar de ojeks staan, waarvan er één mij naar Kota Saparua brengt waar ik neef Onny in zijn winkel opzoek. Onny die mij steeds weer met ontroering in de blik verwelkomt … “Goed dat je er bent, neef. Kom zitten, neef. Het is goed om als neven samen te zitten.”

maandag 15 november 2010

Niet verrast


Na zes weken op Maluku komen de sentimenten pas als de familie ons op de steiger, waarvandaan de speedboat vertrekt, huilend uitzwaait en ik me langzamerhand realiseer dat ik wellicht voor het laatst in Porto ben geweest. Dat ik voor het laatst dat welhaast obsceen grote witte kruis naast de Vredeskerk/Gereja Irene heb gezien. Porto riep en ik ben gekomen. Porto riep mij niet opdat ik in Porto zou blijven. Porto riep omdat ik mijn zoon naar Porto moest brengen.
“Ik zie een zekere distantie bij jou,” merkt filmmaakster Avé op als ze mij op de tweede of de derde dag interviewt in Benteng Duurstede. “Ja,” zeg ik. “Erg emotioneel wil het maar niet worden bij mij. Op de boottocht hierheen vanaf Tulehu  wist ik geen andere vraag te bedenken dan 'Hoe kan ik hier over schrijven?' Dit alles verrast mij niet. Ik ken het allemaal, het is mij vertrouwd.”

zondag 3 oktober 2010

Heel even Jakarta

Opeens heb ik geen idee meer wat ik mij ooit bij Jakarta heb voorgesteld. De stad spreekt me niet aan, wel de mensen die mij om niets aanspreken. Of eigenlijk om heel weinig, om die vracht rupiah's, omgerekend een paar eurocenten die ik zou moeten betalen in al die eettenjes in de oude stad. Maar helaas kan er vanwege de GGD geen sprake zijn van eten kopen op straat ... Eettentjes zijn het ook niet, men heeft het hier over rijdende kraampjes die vaak kleurrijk zijn opgesierd ... Ik voel vooral deernis met al die mensen die aan een paar centen proberen te komen, maar ik snauw ze toch maar weg als ze op vliegveld Soekarno-Hatta bij de bagage-afgifte proberen mij hun kruiersdiensten aan te smeren ... Omdat ik stoer genoeg ben om mijn eigen bagage te vervoeren, maar ook omdat ik me ronduit beroerd zou voelen om de luizige fooi die de jongens in blauw en zwart voor hun diensten betaald krijgen ... maar aan de andere kant ... maar ja er zijn zoveel andere kanten ...
Overigens, wie graag een parodie wil zien op westerse binnenhuisarchitectuur die raad ik het hotel aan, waar ik een nacht bivakkeer ...

vrijdag 1 oktober 2010

Vertrekken



'Partir c'est mourir un peu', zo heet dat – ijs, weder en spelling dienende – in het Frans, vertrekken naar Porto op Saparua betekent een eerste stap zetten naar een nieuw leven …

Ingehouden


Jaren zestig van de vorige eeuw – ik stond in de opening van de kamerdeur en ik popelde om die oom eens van dichtbij te bekijken maar een enkele blik van mijn vader, het hoofdschudden van mijn moeder hield mij op afstand … ik verstond weinig van wat die oom mijn vader op sombere toon toefluisterde, ik verstond helemaal niets van de grimassen die mijn vader trok, van de tranen die in zijn starende ogen opwelden … mijn vader en huilen, dat leek op die keer dat ik een dame ergens in een dorp aan de Ierse westkust in goed gearticuleerd Engels naar de weg vroeg. De dame monsterde mij met aan wantrouwen grenzende verbazing en zij vroeg toen aan mijn toenmalige geliefde 'Is the man really speaking English?' … Bij een buitenaards wezen met vreemde huidskleur bedenkt men geen Engels, bij een beroepsmilitair van het KNIL bedenkt men niet de grimassen die wij trokken als diezelfde man ons in een woedend betoog de basisbeginselen van wellevendheid bijbracht, niet dezelfde tranen als de onze als na de preek de klappen met de broekriem volgden. Het ingehouden huilen, dat vreemde trekken met de mond gold de de dood van mijn grootmoeder in het opeens wel heel erg verre Vaderland, die mijn vader door die oom kreeg aangezegd.
Vandaag, een jaar geleden was ik het zelf die een moment opeens onherkenbaar was voor Joch Bé … ik kreeg de dood van mijn moeder door Broer Ef aangezegd en Joch Bé hoorde hoe mijn stem brak toen ik aan de telefoon de droeve tijding doorgaf aan Geliefde. Joch Bé is er niet zo één die zich op een afstandje, in de opening van de kamerdeur laat fixeren want zijn Geest heeft al zoveel generaties achtereen over de slagvelden gezworven. Hij heeft ze gehoord, de onverzettelijke mannen die in het stervensuur om hun moeder roepen, maar ik besloot terstond tot vermanning toen ik zijn troostende handen van achteren op mijn schouders voelde. Ik besloot mij, vijftig jaar na mijn vader, in te houden. Niet uit een zucht naar decorum, maar in het besef dat de balans, de cadans bewaard moet want de lange mars is nog lang niet ten einde. En van opgeven weten wij niet, wij van Maluku die op de troepentransportschepen naar Nederland zijn gekomen … 'Does the soldier really surrender?', dat zal men nooit een dame in een dorp aan de Ierse westkust horen vragen.